top of page

BETWETER

Bijgewerkt op: 16 okt 2025


Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen…zingt The Lau van de Scene. Als ik het nu hoor, zing ik weer mee. En tegelijk denk ik: “Wat zing ik”? Als ik van de wereld ben kan ik ook bedoelen dat ik niet goed bij zinnen ben en de wereld is heus niet zomaar  van en voor iedereen. Welke wereld en welke mensen en dingen zijn op de wereld? Vind ik…


Wat is ervoor nodig om de wereld als werkelijk te ervaren? Vertrouwen in de werkelijkheid, het gevoel dat de wereld ‘er gewoon is’ hangt af van de uitkomsten van de voorspellingen die mijn brein dagelijks doen. Veelal zonder dat ik mij daarvan bewust ben. Dat is handig, omdat ik daardoor ‘gewoon doe’.  Deze voorspellingen geven richting aan hoe ik me ga gedragen. Het zijn signalen die de hersenen vooruitsturen als ik bijvoorbeeld mijn hand uitsteek om iets te pakken. Doordat het voorspelde gevoel bij die handeling klopt met de werkelijke ervaring, die een fractie van een seconde later plaats vindt, valt de ervaring veel minder op. Ons brein maakt daar een gelijktijdige ervaring van, waardoor we het als een beleven. [niet het feit dat impuls en actie een seconde na elkaar komen is bijzonder, maar vooral ons gevoel van samenval en daarmee een keuze kunnen maken is bijzonder]

Dat voorspellende vermogen maakt gebruik van ervaringen uit het verleden. Ik weet hoe het voelt om een hand uit te steken, dus het zal me pas opvallen als de handeling niet past bij mijn ervaring: bijvoorbeeld als er pijn schiet in mijn hand. Of, ik weet als ik duizelig opsta, het niet betekent dat de wereld om me heen beweegt, maar dat mijn waarneming verstoord moet zijn. Zo zijn die voorspellingen op basis van herinneringen dus ook verantwoordelijk voor het bepalen van de grens tussen binnen- en buitenwereld. Maar op zo’n duizelig moment ben ik extra alert, want mijn voorspelling klopt niet met wat ik gewend ben bij het opstaan. Er komt dopamine vrij, want dit is een leermoment: een kans om toekomstige voorspellingen te verbeteren. [rustig aan omhoog bewegen tot de duizeligheid afneemt] Zolang dit systeem werkt, voelt de werkelijkheid vanzelfsprekend en krijg ik zelden een foutmelding. Maar als het proces begint te haperen door stress, drugs of trauma komt er te vaak dopamine vrij. Steeds als mijn voorspelling niet klopt met de ervaring, krijg ik een signaal dat ik moet oppassen, dat er iets aan de hand is. [Zo kun je in een psychose terecht komen. Want hoe meer ik ga letten op dingen waar ik normaal niet over nadenk, des te vreemder zullen ze gaan voelen – probeer maar eens bewust natuurlijk te lopen. Omdat ik dat wat ik ervaar niet had verwacht, ben ik eerder geneigd om te denken dat het van buiten komt. Als ik het zelf had gedaan, had ik wel correct voorspeld toch? Hoe ongeruster ik word, des te meer aandacht gaat er naar het mislopen van voorspellingen, waardoor de vervreemding slechts groter wordt. Dat verstoort voorspellingen nog meer, waardoor ik de controle kwijt kan raken; dat iemand mij van buitenaf bestuurt, dat mijn gedachten niet van mij zijn.]


Die grote verontrustende ervaringen zijn moeilijk te delen met anderen. Complot? Want terwijl ik tot de logische conclusie kom dat de wereld veranderd is, dat ik tot een nieuw inzicht gekomen ben, zullen anderen met evenveel recht zeggen dat ik last heb van hallucinaties (de wereld is in hun ervaring niet veranderd). Het risico is groot dat elk contact verloren gaat. Maar daarmee verlies ik ook de kans om mijn eigen waarneming te toetsen aan de werkelijkheid van (vertrouwde) anderen.

[In het Engels is er voor het woord verward bewildered, verloren in de wildernis, de weg kwijt. We verdwalen als we onze koers niet kunnen toetsen, omdat je geen houvast hebt in het landschap om je op te richten. Geen horizon punt, stand van de zon etc. Als die oriëntatie ontbreekt, ga je al snel in cirkels lopen. Ons innerlijk kompas bevat veel ruis, dus komen wandelaars die alleen op hun lichaam moeten afgaan, gemiddeld niet meer dan honderd meter van hun vertrekpunt, zelfs niet als ze uren onderweg zijn. Dat klinkt verontrustend, maar als je erover nadenkt is het tevens geruststellend en vanzelfsprekend: als je niet weet waar je naar toe gaat, beschermt je lichaam je tegen grote dwalingen. Je komt niet ver als je alle informatie uit jezelf moet halen, je komt maar nauwelijks vooruit……de letterlijke betekenis van het Griekse epistamai (weten of kennen) is ‘staan op’. Als er niets is om op te staan is de wereld wankel, wie met beide benen op de grond staat, verbeeldt zich niets. Oftewel ‘ground truth’ in specialistisch Engels: informatie waarvan je weet dat die klopt en die je kunt gebruiken om vertekeningen in een model te vinden. Ground truth vergelijkt beeld met werkelijkheid, kaart met gebied. Het onderzoekt of je veronderstellingen in je bovenkamer nog wel overeenkomen met de grond onder je voeten. Een ervaren gids kent het pad onder zijn voeten, de route in zijn lijf verankerd. Het is ingewikkeld om je plek tegelijk van binnenuit te kennen en het van bovenaf te zien; de ene vorm van weten gaat vaak ten koste van een ander kennen. Met de auto reis je sneller, maar de reis voel je amper; internet verbindt de wereld met ideeën en personen; maar verhindert wat voor onze voeten plaatsvindt]


Je ziet het pas als je het doorhebt

Nergens is de werkelijkheid zo onbuigzaam, zo ongeïnteresseerd in dat wat je jezelf voorliegt, zo weinig bereid naar jouw wensen te luisteren als de wildernis; die omgeving die je het beste kunt vermijden; de omgeving waar je jezelf meedogenloos tegenkomt omdat alles om je heen niet-jezelf is. Daar waar menselijke hulp buiten bereik is, zal niemand je tegenhouden, kun je je illusies koesteren. Juist daar zul je je vroeg of laat in gevaar brengen. De werkelijke wereld blijkt van dichtbij gezien vaak radicaal anders dan wanneer je er abstract over denkt; de buitenwereld is nooit precies zoals je die vanuit je veilige stoel kunt voorstellen. Facts on the ground wordt dat genoemd. De vinger die naar de maan wijst is niet de maan.  Het zenboeddhisme helpt eraan te herinneren dat woorden nooit de werkelijkheid zijn, dat wat geschriften onderwijzen nooit is dat wat er echt te leren valt.

Waarom zou je ook willen twijfelen aan het wereldbeeld van iemand die het met jou eens is? We nemen de woorden van anderen voor waarheid aan tenzij er een reden is om dat  niet te doen. We leven het liefst op goed vertrouwen; we geloven graag. Niemand verbindt zich in een geheel eigen wereld. Je deelt de werkelijkheid altijd met mensen om je heen, je bouwt en verfijnt die grotendeels op wat zijn doen en zeggen. Als blijkt dat je vertrouwen onterecht was, wordt je wereld met grof geweld verwoest. Het verlies van vanzelfsprekend vertrouwen maakt dat je gaat bevragen…de verwantschap en oprechtheid is tekortgedaan.

Wat gebeurt er als je denkt een antwoord gekregen te hebben? De neiging om algemene, vage uitspraken op te vatten alsof ze specifiek op ons van toepassing zijn, noemen we het Forer effect. Een belangrijke verklaring voor horoscopen, persoonlijkheidstesten in tijdschriften onder meer. Dat is allemaal vrij onschuldig, maar het wordt grimmiger als je een mening hebt die geen gemeengoed is, in de maatschappij maar vooral in omgeving van familie, werk of buurt. Juist dan ben je geobsedeerd door bewijs. Wie een gedeelde waarheid verkondigt, hoeft zich daarover niet zo druk te maken. Hij weet dat hij gehoord wordt of in ieder geval niet uitgelachen. Anders is dat voor iemand die anderen wil overtuigen van iets wat juist sterk betwijfeld wordt. Overtuigingen kunnen geloof worden (iets kritiekloos accepteren wat je niet kunt bewijzen). In een wetenschappelijk onderzoek ga je op zoek naar feiten, zonder je druk te maken over de theorie of het geloof. Elke ontwikkeling van een theorie geeft aan welke feiten je wilt onderzoeken; een afbakening tussen wat verklaard moet worden en dat wat je vanzelfsprekend aanneemt. Het zegt alles over wat je normaal beschouwt (god bestaat). Bij feitenonderzoek wordt dit vaak in praktijk gebracht: bij een vaste overtuiging wil je vooral iets niet geloven wat tegen je overtuiging ingaat. Dan wordt er over alternatieve feiten gesproken.

In een verhit debat draait het vaak hierop uit: de blik is vertekend door onwetendheid, onbegrip, ontwijking, emotie, excentrieke redenaties en oneerlijke tactieken. Het wordt een gekmakende dans met je eigen spiegelbeeld. Gebruikmakend van eenzelfde taal: hameren op feiten, op noodzaak voor bewijzen. Je evenbeeld in de spiegel balt een vuist zodra je dat doet, wijst met vertrokken stem op de feiten precies zoals je dat doet. Het wordt nooit meer dan een ritueel; je kunt niet ontsnappen aan de vastgelegde stappen; je kunt je tegenstander nooit de hand geven. Vrijwel niemand is echt in staat te luisteren naar iemand die hem niet hoort. En pas op voor het argument: Jij zegt dat wel, maar waarom is het mij nog nooit overkomen? Er wordt teruggegrepen op de vraag, de achterkant van het Pollyanna principe: de neiging om je positieve gebeurtenissen beter te herinneren en jezelf positief te geloven. Zo goedgelovig als we zijn, is dit misschien de moeilijkste taak: op het moment dat die goedgelovigheid wegvalt er toch van uit blijven gaan dat de ander niet liegt of gek is; dat die ervaring bestaat in een hoofd dat even redelijk is als het jouwe, dat zijn wereld niet minder werkelijk is dan die van jou. De betweter die luidkeels en koppig zijn standpunt verkondigt.

Voor en tegenspraak Hoe maak je onderscheid tussen iemand die de waarheid in pacht heeft en waarheid spreekt en die daarom de toekomst kan voorspellen en de grootspreker die met bevlogen woorden waanzinnige ideeën uitspreekt? En die je daarom daadwerkelijk waanzinnig vindt: de woorden maken de persoon. De betweter die alleen maar vragen stelt waarvan hij al weet welk antwoord hij wil horen. Iedereen kent wel een heethoofdig familielid of een koppige kennis die gelooft in bizarre verhalen; die zich op de borst klopt omdat hij weet hoe het zit, dat anderen het nog niet door hebben; dat hij het systeem doorheeft en dat media en wetenschappers gevangen zijn in dit systeem. Dat er steeds meer mensen overtuigd zijn van de misleiding van de gevestigde orde; dat hij wakker is en het beter weet. Mensen die zich niet gehoord voelen, bijten zich vast in hun overtuiging en gelijk. Om gehoord te worden gaan ze een hun stem verheffen, luidkeels roepen en Megafoontaal inzetten: roddels, angst, slogans.

Datzelfde doet de politicus die zegt wel te luisteren naar de ongehoorde stemmen, die hen overtuigt dat hij aan dezelfde kant staat, dat hij hun waarheid ziet. De waarheidspreker staat op: als enige die geluisterd heeft, het door heeft, zich kwetsbaar opstelt en tegen het machtige systeem ingaat. Zulke betweters, spreken met stemverheffing, spuien propaganda taal; zij liegen overduidelijk en zonder zich te schamen, gaan tegen alle normen in en dat levert stemmen op. Sterker nog, ze worden geloofd als waarheidsprekers. Ze worden vertolkers van een gevoeld verlies en verlangen, een stemming die ze steeds opzwepen. Zo’n politicus die zonder schaamte overduidelijk en vaak liegt, verwerpt de norm dat je de waarheid moet spreken. Die strategie wordt effectief als genoeg kiezers het systeem zelf als een leugen gaan zien. Dam kunnen leugens van degene die zich als buitenstaander profileert, waarachtiger en eerlijker lijken: alsof hij het jongetje wordt die blijft roepen dat de keizer geen kleren aan heeft. De roepende betweter heeft meestal de boodschap: We moeten terig naar…wat eens van ons was. Een tijd waarin de wereld beter, overzichtelijker, een tijd die als thuis voelde. En daaropvolgend de belofte om weg te halen wat ‘hier niet hoort’. Dat jongetje schreeuwt steeds harder opgewonden en met gebalde vuisten niet meer uit verwondering maar om gelijk: Hij schreeuwt zo hard dat geen gesprek mogelijk is, zijn stem overheerst alles. Maar zoveel macht krijgt hij pas als een grote groep mensen zich al lange tijd niet gehoord voelt. Dat boze jongetje wordt onweerstaanbaar omdat hij belooft de wereld wel even recht te zetten, dat het zo simpel is.

Je kunt iemand geloven of in iemand geloven. Het eerste is voorwaardelijker; in iemand geloven maakt dat het er minder toe doet wat er gezegd wordt en of dat ergens op slaat. Het gaat niet meer om de woorden, je gelooft de spreker zelf. Het wordt gevaarlijk als mensen een politicus gaan geloven, hem zo vertrouwen dat ze vergeten te luisteren naar wat hij precies zegt, om kritisch te kijken naar wat hij doet of juist nalaat om te doen. Ieder mens is geneigd zich te identificeren met de groep waar bij hij hoort en degenen die buiten de groep vallen te wantrouwen. Dat effect heeft te maken met de neurotransmitter oxytocine, cruciaal om een gevoel van liefde en verbondenheid te geven: het stelt ons in staat om samen te leven. Meer oxytocine geeft grotere bereidheid om mensen buiten de groep op te offeren, blijkt uit experimenten. Een versterkt groepsgevoel roept meer vijandigheid op tegenover degenen die buiten de groep vallen. Dit effect versterkt zichzelf, want zo word je steeds afhankelijker van dat waarop je wel vertrouwt, van dat waar je in gelooft.


Hoofdrol Wie krijgt de hoofdrol in het verhaal? Elk verhaal dat jou een hoofdrol geeft is een verhaal om te wantrouwen: of je nu held of slachtoffer bent (vaak lopen de rollen in elkaar over: het heldhaftige slachtoffer, de gekwetste held). Belangrijker is de vraag of het perspectief klopt: of de rol in verhouding is met de ruimte die er overblijft voor anderen. Maar als je midden in het verhaal zit, komt die vraag zelden bij je op. Dan is je rol vanzelfsprekend, het lijkt geen rol maar het is wat je bent. Als je gelooft het door te hebben, ben je het meest bevattelijk voor misleiding zoals goochelaars weten. En complottheorieën zijn aantrekkelijker voor wie zichzelf als bovengemiddeld intelligent beschouwt (herhaald onderzoek wijst uit dat de ruime meerderheid zichzelf zo ziet). Want als je slimmer denkt te zijn, ben je ook sneller geneigd te denken dat jij als een van de weinigen het achterliggende patroon doorziet.

Wanneer er iets is en tegelijk er niet is, waarin je enerzijds weet dat iets waar is en tegelijk dat het dat niet is. In zo’n situatie spreken we van cognitieve dissonantie. (letterlijk wanklank, het gebrek aan harmonie tussen mentale processen). In het geval van tegenstrijdige gedachten of discrepantie tussen wat we denken en doen, proberen we onbewust de dissonantie op te heffen. Soms gaan we anders handelen, maar de weerbarstige werkelijkheid maakt dat we vaker onze gedachten veranderen. Bij tegenstrijdige waarheden kun je een waarheid tijdelijk vergeten. Of lossen we de tegenstrijdigheid op voordat je het tot je volledige bewustzijn laat doordringen. Doublethink noemde Orwell dat. Dubbeldenken, een term afkomstig uit George Orwells roman 1984, is het vermogen om twee tegenstrijdige ideeën tegelijk te geloven en te accepteren. Het is een belangrijk onderdeel van het totalitaire regime in het boek, waarbij de Partij de realiteit en het denken van de burgers controleert door het gebruik van tegenstrijdige slogans zoals "Oorlog is Vrede" en "Vrijheid is Slavernij". 

Kun je iets vergeten wat je nooit geweten hebt? We blijven graag denken dat we consistente, rationele denkers zijn. Als we van gedachten veranderen, zijn we geneigd om te geloven dat we dit standpunt altijd al hadden. Of anders wel dat wij niet zijn veranderd, maar de wereld zelf nu anders is. Daardoor is het nieuwe standpunt voor een redelijk mens al even onontkoombaar als het vorige, ook als ze tegengesteld zijn. Allemaal zijn we geneigd om feiten te verdraaien om maar te kunnen blijven geloven dat we altijd al gelijk hadden. Het is onbegonnen werk om een werkelijkheid in stand te houden die niet meegeeft met wat je denkt; een wereld waaraan je constant je hoofd stoot. Het is weliswaar onmogelijk om te ontkomen aan de hoop en verlangens die je waarheid vertekenen, maar je moet proberen om je er zoveel mogelijk van bewust te zijn. Je gedachten opschrijven in een dagboek bijvoorbeeld, zodat je jezelf minder voor de gek kunt houden bij het herlezen. Want zo vond Orwell zelfs als je voorspelling uitkomt is het de moeite waard om te onderzoeken waarom. De kans is groot dat die uitkomst alleen door puur toeval overeenkomt met je angst of verlangen in plaats van de koele blijk die je jezelf zo graat toedicht. Er bestaat niet zoiets als een onschuldig oog. We zien de werkelijkheid gefilterd door verhalen waarin we leven en wat daarin niet past blijft meestal onopgemerkt. Maar dat maakt het des te te belangrijker om te blijven streven naar een oog dat tenminste weet wat het niet ziet. En waarom.

 

 

 

 
 

©2022 door Ton Stroucken. Met trots gemaakt met Wix.com

bottom of page